Dit moet je weten als je een onroerend goed wil inbrengen in de huwgemeenschap

17/11/2016

Echtgenoten die voor hun huwelijk al eigenaar zijn van een onroerend goed, brengen dat op het moment dat ze trouwen wel eens in in de huwgemeenschap. Waarom gebeurt dat? Waar moet je rekening mee houden?

In heel wat huwelijkscontracten leest men dat één van de echtgenoten een onroerend goed waarvan hij of zij al eigenaar is inbrengt in de huwgemeenschap. Kan zo’n clausule ook voor jou nuttig zijn?

Waarom kiezen voor een inbreng? 

Als je huwt onder het wettelijk stelsel (scheiding van goederen en gemeenschap van aanwinsten) dan blijven goederen (zowel roerende als onroerende) die je al had op het moment dat je trouwt eigen. Ook goederen die je geschonken krijgt (of erft) tijdens je huwelijk hebben in principe een eigen karakter. 

Heb je bijvoorbeeld een bouwgrond waar je later samen met je echtgenoot op wil bouwen dan wordt ook het huis dat je op de bouwgrond zet veelal eigen (door de regels inzake de natrekking). Dit geldt zelfs als jij en je echtgeno(o)t(e) dat huis samen betalen. Eindigt het huwelijk (door bv. een echtscheiding of een overlijden) dan kan de echtgenoot die geen eigenaar is hooguit van de andere een financiële vergoeding vragen (als daar degelijke afspraken over zijn gemaakt). Om dat te vermijden kan je werken met een inbreng.

Een ander geval waar een inbreng bijvoorbeeld nuttig kan zijn is als iemand mee wil investeren in het onroerend goed dat reeds eigendom is van zijn partner of waarvan die partner al mede-eigenaar was en dat hij wil ‘inkopen’.  Een inbreng kan bovendien wel eens een instrument zijn om de langstlevende echtgenoot te bevoordeligen.

Hoe gebeurt dit?

Bij een inbreng wordt een eigen goed ingebracht in de huwgemeenschap. De inbreng gebeurt via een huwelijkscontract dat wordt opgemaakt door een notaris. Zo’n huwelijkscontract kan worden afgesloten voor je huwelijk. Ook tijdens je huwelijk kan je nog steeds een huwelijkscontract laten opmaken als jij en je partner het daarover eens zijn en mits bepaalde voorwaarden worden gerespecteerd. De kosten die verbonden zijn aan de inbreng zijn (behoudens de kosten van het huwelijkscontract zelf) overigens bijzonder beperkt. 

Als het onroerend goed dat wordt ingebracht gefinancierd werd met een krediet (bijvoorbeeld een hypothecaire lening), dan wordt deze lening normalerwijze ook volledig mee ingebracht zodat ook die gemeenschappelijk wordt.

Wat als er een haar in de boter komt? 

Als de echtgenoten nadien scheiden, kan de inbreng vervelende gevolgen hebben. Het onroerend goed valt dan namelijk in de huwgemeenschap waardoor beide echtgenoten er voor de helft in delen. Dit kan bijzonder nadelig zijn voor diegene die het onroerend goed inbracht. De helft van wat hij inbracht gaat nu eenmaal naar diegene van wie hij uit de echt scheidt. 

De echtgenoot die een onroerend goed inbrengt kan wel een recht van terugname bedingen. Zo kan men bijvoorbeeld in het huwelijkscontract een clausule zetten dat de echtgenoot die een onroerend goed inbracht een bepaald bedrag mag vragen uit het gemeenschappelijk vermogen als het tot een echtscheiding komt. Er kan bijvoorbeeld aan gedacht worden hem een bedrag gelijk aan de waarde van de bouwgrond (verminderd met de lening) op het moment dat de bouwgrond werd ingebracht toe te kennen.

Het is alleszins belangrijk je op dit vlak goed te laten adviseren. De notaris die het huwelijkscontract opmaakt kan je hierbij helpen om een evenwichtige oplossing te vinden.

Het onroerend goed werd geschonken 

Heb je het onroerend goed dat je wil inbrengen geschonken gekregen (bijvoorbeeld van je ouders), dan is het belangrijk na te zien of er in de schenkingsakte geen verbod staat om het onroerend goed in te brengen. Zo’n uitsluitingsclausule is immers perfect geldig. Staat er zo een bepaling in dat moet je eerst het akkoord krijgen van de schenkers dat je toch tot een inbreng mag overgaan.


Tekst: Jan Roodhooft, advocaat (www.ra-advocaten.be)